Voormalig IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch had in zijn regeerperiode altijd de onhebbelijke eigenschap om bij iedere sluitingsceremonie van de Olympische Spelen de organiserende stad te loven met de mededeling dat het de beste Spelen ooit waren. Gelukkig is Jacques Rogge van een andere generatie en heeft hij zijn realiteitszin nog allesbehalve verloren. Hij gaf Vancouver 2010 een pluim, maar behield zijn geloofwaardigheid door in ieder geval niet te overdrijven.
De Spelen in Vancouver waren in ieder geval niet saai. Nog voordat het vuur in de hoofdstad van British Columbia was ontstoken, hadden de Spelen al een leven geëist. De Georgische rodelaar Nodar Koemaritasjvili verongelukte tijdens een trainingsrun op de gevaarlijke baan van Whistler.
Ook op sportief gebied was er de afgelopen twee weken volop dramatiek. Het olympisch schaatstoernooi spande daarbij de kroon. Er was de klucht met de dweilmachines en de haperende startpistolen, er was – met dank aan Gerard Kemkers – de fatale wissel van Sven Kramer op de tien kilometer, er waren tal van verrassingen, veelal van Zuid-Koreaanse makelij, er was een kolderieke buiteling van Anni Friesinger op de ploegachtervolging en er was – last but not least – Canadees schaatsgoud in eigen land.
Daarmee werd afgerekend met een olympische traditie, die voor Canada een obsessie dreigde te worden. Nog nooit had Canada op Spelen in eigen land (Montreal ‘76, Calgary ‘88) een gouden medaille veroverd. Maar Christine Nesbitt (1000 m) en de mannen-achtervolgingsploeg braken wat dat betreft de ban. De Spelen waren – althans op sportief vlak – sowieso succesvol voor het gastland, dat 26 medailles veroverde, waarvan 16 gouden. De belangrijkste gouden plak voor de Canadezen was – met afstand – de sensationale winst van de ijshockeyers. In de finale tegen de Verenigde Statende scoorde Sven Kramers look-a-like Sidney Crosby de winnende goal, in overtime nog wel.
Afgezien van het sportieve aspect zal het gastland met gemengde gevoelens terugkijken op de twee veelbewogen weken in Vancouver. In diverse buitenlandse media werden de Spelen zelfs al de slechtste ooit genoemd, een predikaat dat was voorbehouden aan de chaotische olympische afleveringen van Atlanta en Montreal. Aanleiding van de massale kritiek was de reeks aan incidenten: het ongeval van de Georgische rodelaar, de technische missers tijdens de openingsceremonie, het slechte weer en het gebrek aan sneeuw op Cypress Mountain, de falende tijdwaarneming bij het biathlon en het geblunder met de dweilmachines bij de schaatswedstrijden. Het hartverwarmende enthousiasme van de sportgekke Canadezen maakte echter een hoop goed. En, ach, wat zouden de Spelen zijn zonder incidenten?
Voor Nederland verliepen de Spelen aanzienlijk minder succesvol dan vooraf verwacht. In de aanloop had chef de mission Henk Gemser zich laten ontvallen dat hij hoopte op een recordscore van 12 medailles, maar de oranje-afvaardiging bleef steken op acht plakken, waarvan viermaal goud. De score had hoger kunnen (en moeten) uitvallen als de belegeiding van kopman Sven Kramer geen fatale steken had laten vallen. Eerst was er de al gememoreerde blunder van Gerard Kemkers, later stond een gemankeerde voorbereiding op de ploegachtervolging een gouden resultaat in de weg, hetgeen vooral bondscoach Wopke de Vegt aangerekend dient te worden. De olympische ambitie om structureel in de top-tien van de wereld te eindigen kan in ieder geval weer een aantal jaren de koelkast in…
Frank Woestenburg (sportverslaggever De Telegraaf)